Pensioenakkoord

Pensioenakkoord

De stand van zaken inzake het pensioenakkoord

In het principe pensioenakkoord is over een aantal punten een akkoord bereikt. De vijf belangrijkste worden hieronder nader behandeld. Deze punten kunnen vooralsnog niet afzonderlijk van elkaar kunnen worden ingevoerd. Er moet dus overeenstemming bestaan over alle punten. Dat betekent dat, bij het alsnog niet doorgaan van het pensioenakkoord, de minder snelle stijging van de AOW-leeftijd ook niet doorgaat!

 

1. Minder snelle stijging AOW leeftijd

De minder snelle stijging van de AOW-leeftijd is reeds ingevoerd:

Jaar

Was

Nieuw
2018 66 jaar 66 jaar
2019 66 jaar en 4 maanden 66 jaar en 4 maanden
2020 66 jaar en 8 maanden 66 jaar en 4 maanden
2021 67 jaar 66 jaar en 7 maanden
2022 Levensverwachtng 67 jaar en 3 maanden 66 jaar en 7 maanden
2023 Levensverwachting 67 jaar en 3 maanden 66 jaar en 10 maanden
2024 Levensverwachting 67 jaar en 3 maanden 67 jaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met ingang van 2025 zal de ontwikkeling van de AOW-leeftijd met 2/3 van de stijging van de levensverwachting worden gevolgd. Als de levensverwachting met 1 jaar stijgt, zal de AOW-leeftijd met 8 maanden stijgen. Naar verwachting zal dat net als nu gaan met 2 maanden per keer (zijnde 2/3e van 3). Hiermee lopen de AOW-leeftijd en pensioenleeftijd nog steeds niet gelijk en blijft het probleem waarin werknemers wel AOW krijgen, maar nog geen pensioen.

Onze mening/visie:

Werknemers zijn hiermee niet af van de ingewikkelde keuze wanneer men met pensioen zal gaan en op welke wijze. De minder snelle stijging van de AOW-leeftijd is wel goed nieuws voor iedereen en met name die werknemers die op het laatst moeite hebben om het tempo bij te benen. Ook werkgevers hebben hier baat bij, als oudere, minder productieve, werknemers in dienst blijven kost dat een werkgever immers geld. Samen met het 2e onderdeel van het pensioenakkoord zal dit hopelijk zorgen voor soepeler pensionering van oudere werknemers. Zeker die met zware beroepen.

2. Maatregelen om te zorgen dat mensen met zware beroepen gezond de pensioenleeftijd halen.

Sociale partners, een duur woord voor werkgevers en werknemers gezamenlijk, moeten op centraal niveau met afspraken komen om werknemers in zware beroepen tot 3 jaar eerder uit te laten treden. Dit moet met behulp van door werkgevers gefinancierde regelingen en zal door het kabinet fiscaal worden ondersteund.

Dat doet het kabinet door een tegemoetkoming in de regeling die in 2006 juist is ingevoerd ter voorkoming van vervroegde pensionering. Een werkgever krijgt bij vervroegde pensionering van een werknemer een boete ter grootte van 52% van het vervroegd pensioen. De tegemoetkoming betekent dat deze boete wordt versoepeld tot een bedrag van € 19.000 per jaar. Tot dat bedrag betaalt een werkgever niet langer een boete. Over het meerdere dus wel.

Onze mening/visie:

Dit is onzes inziens een goede maatregel. Werkgevers en werknemers worstelen al langer met dit probleem. Hoe haalt mijn werknemer gezond zijn of haar pensioendatum? Met deze regeling wordt het afscheid nemen voor de reguliere pensioendatum van werknemers die echt niet meer mee kunnen, zeker voor lager betaalde werknemers, een stuk eenvoudiger en betaalbaarder. Bij midden en hogere inkomens kost dat nog steeds erg veel geld.

 

2. Oplossingen voor zelfstandigen

Zelfstandigen moeten zich vrijwillig kunnen aansluiten bij een pensioenregeling. Zelfstandigen kunnen al pensioen opbouwen, maar het grote probleem is vooral het verzekeren van risico’s van overlijden en arbeidsongeschiktheid. Door de vrijwillige keuze is er selectie, vooral de zelfstandigen met een slechte gezondheid zullen een dekking wensen. Voor het arbeidsongeschiktheidsrisico zal er een verzekeringsplicht komen.

Onze mening/visie:

Wij vinden de verplichte verzekering voor arbeidsongeschiktheid gegeven het feit dat nu slechts zeer weinig ZZP’ers een dergelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben een goede zaak. Het is een te belangrijke verzekering om niet te hebben en een verplichte verzekering is de enige manier om dit voor iedereen betaalbaar te houden.

 

3. Meer keuzevrijheid pensionering door opname pensioen ineens

Het kabinet wil mensen meer flexibiliteit bieden bij het opnemen van hun pensioen. In de toekomst kan daarom maximaal 10% van de waarde van het opgebouwde pensioen worden opgenomen, direct bij pensionering. Zo blijft na de opname nog voldoende pensioenkapitaal over om iedere maand een redelijk pensioen uit te keren, terwijl toch tegemoet wordt gekomen aan de wens tot keuzevrijheid voor het pensioen. Gebleken is dat een maximumpercentage van 10% het risico op een te grote inkomensachteruitgang beperkt. Ook de Sociaaleconomische Raad (SER) heeft geadviseerd dit percentage te hanteren. Na de eenmalige opname blijft ongeveer 90% van het levenslange pensioen over.

De gevolgen hiervan blijven wat onderbelicht. Zo wordt de eenmalige uitkering belast met een hoog/hoger belastingtarief, worden de heffingskortingen verlaagd en kunnen toeslagen komen te vervallen.

Onze mening/visie:

Het is jammer dat de focus wordt gelegd op meer keuzevrijheid en niet goed wordt gewezen op mogelijke problemen. Veel mensen -zo is onze verwachting- zullen dit wel interessant vinden. Wie wil er nu niet direct geld ontvangen? De keuze van je pensioendatum en de opties inzake de hoogte van je pensioen die je daarbij al hebt zijn al complex genoeg. Nu komt er nog eentje bij en de vraag is of je deze mag toepassen als je je pensioen op een bepaalde leeftijd laat ingaan voorafgaand aan de reguliere pensioenleeftijd. Een tweede vraag is of je eerst 10% mag opnemen en daarna een hoog-laagconstructie kunt toepassen. Kortom, op dit punt bestaat nog -te veel- onduidelijkheid.

 

4. Vernieuwing van het pensioenstelsel. Dit deel van het pensioenakkoord heeft de grootste uitdaging.

Hier wordt vaak gesproken over een systeem gebaseerd op individuele potjes, maar wel met risicodeling en een doorsneepremie. Het akkoord is met name gebaseerd op pensioenfondsen. Maar pensioenfondsen hebben vaak al een doorsneepremie. Het verwarrende is dat er vaak wordt gezegd dat met dit pensioenakkoord de doorsneepremie wordt afgeschaft. Dat is echter niet het geval, hiermee wordt juist de doorsneepremie verplicht opgelegd aan alle pensioenregelingen. Hetgeen wordt afgeschaft is de gelijkmatige pensioenopbouw voor alle leeftijden. Nu is dat wettelijk verplicht, straks is dat verboden.

 

Is er sprake van een bij een verzekeringsmaatschappij ondergebrachte middelloonregeling of een beschikbare premieregeling, onafhankelijk waar die is ondergebracht, dan voorzien wij enorme uitdagingen.

 

In het nieuwe pensioensysteem bouw je als je jong bent op basis van een doorsneepremie meer op en als je ouder bent bouw je op basis van een doorsneepremie minder op. Wie gaan erop achteruit? Voor de ouderen is dit duidelijk, maar is het ook duidelijk voor de jongeren? Jongeren gaan in het begin meer opbouwen, maar verdienen in de jongere jaren veel minder inkomen. Hierdoor wordt in jongere jaren nog steeds weinig opgebouwd, want 200% van weinig blijft weinig. Op latere leeftijd is het salaris weliswaar hoger maar is de opbouw beperkt door de doorsneepremie en wordt er waarschijnlijk aanzienlijk minder opgebouwd. Jongeren gaan er wellicht dus ook op achteruit!

Daarnaast is pensioen een individuele arbeidsrechtelijke toezegging. In het verleden bleek wel dat fiscale en wettelijke versobering van pensioen leidde tot financiële of andere compensatie. Wie gaat deze rekening betalen?

Onze mening/visie:

Voor zover een werkgever niet gehouden is aan cao-afspraken heeft hij de ruimte om een nieuwe pensioenregeling op te zetten die kostenneutraal is ten opzichte van de huidige pensioenregeling. Het is dus zeker niet zo dat alle werkgevers verplicht meer geld voor het pensioen (inclusief compensatiemaatregelen) moeten gaan betalen. Dit lees je met enige regelmaat in de berichten op internet of via mailingen maar is niet juist.

Het is voor ieder bedrijf maatwerk om te berekenen welke pensioenregeling in combinatie met welke compensatiemaatregelen zowel kostenneutraal is als passend voor alle deelnemers.

Een belangrijke uitdaging daarbij is om een voor iedereen adequate pensioenopbouw te houden. Een nieuwe pensioenregeling met sterk beperkte opbouw in combinatie met een compensatie via het loon klinkt wellicht als hetzelfde maar levert uiteindelijk veel minder pensioen op. Werknemers moeten dan zelf beslissen of en in welke mate ze de compensatiemaatregel in willen zetten voor aanvullende pensioenopbouw. De ervaring met dit soort regelingen stemt niet hoopvol. Zeer weinig werknemers kiezen voor aanvullende pensioenopbouw.

Kortom

Er ligt nu al een fragmentatiebom onder het pensioenakkoord! Dat komt door de sterke daling van de rente in de afgelopen weken. Hierdoor is de financiële gezondheid (dekkingsgraad) van alle pensioenfondsen gedaald.

Hiermee komt niet alleen het door vakbonden zo gewenste voorkomen van kortingen op het pensioen en het eerder verlenen van indexatie onder vuur te liggen. De betaling van een fors deel van de compensatiemaatregelen bij de invoering van het nieuwe pensioensysteem was voorzien uit de vrijvallende buffers van de pensioenfondsen. Die buffers smelten nu als sneeuw voor de zon weg. Als de rente zo laag blijft als nu of nog verder daalt, en dat is zeker niet uitgesloten, lijkt het welhaast onmogelijk dat het pensioenakkoord in stand blijft.

Het Pensioenakkoord is dus voorlopig nog geen gelopen race, dus geen paniek. Wij zijn wel van mening dat nu al rekening moet worden gehouden met mogelijke toekomstige wijzigingen in ons pensioenstelsel. Voorlopig adviseren wij werkgevers om pensioentoezeggingen niet te verbeteren of te wijzigen zonder overleg met uw pensioenadviseur. Dit om ongewenst grotere compensatieproblemen in de toekomst te voorkomen.